INTERNATIONAAL - 26.06.2020

‘Transfer pricing’-circulaire 2020: aandachtspunten (deel 2)

Op 25 februari 2020 verscheen de circulaire 2020/C/35 met richtlijnen over verrekenprijzen voor multinationale ondernemingen en belastingadministraties. In eerdere bijdragen stonden we stil bij de algemene principes inzake interne verrekenprijzen die de circulaire toelicht en bij een aantal specifieke topics. Hierna belichten we nog een aantal interessante aandachtspunten die in de omzendbrief aan bod komen.

Immateriële vaste activa (IVA)

Volgens de OESO is een immaterieel vast actief (IVA) iets “dat geen materieel (MVA) of financieel (FVA) vast actief is en dat in eigendom kan worden aangehouden of gecontroleerd worden voor commerciële doeleinden en waarvan het gebruik of de overdracht aanleiding zou geven tot een vergoeding indien deze transactie had plaatsgevonden tussen onafhankelijke partijen in vergelijkbare omstandigheden”. Een IVA moet niet per se tot uitdrukking komen in de jaarrekening, dan wel juridisch beschermd zijn, om een vergoeding voor het gebruik ervan te kunnen vragen.

Prijszetting

Om een adequate intra-groep prijszetting te kunnen definiëren, moet een grondige analyse gebeuren van de zgn. DEMPE-functies (Development, Enhancement, Maintenance, Protection, Exploitation) en moet dus op feitelijke basis uitgemaakt worden welke groepsentiteiten functies uitoefenen, risico’s dragen en activa gebruiken m.b.t. ontwikkeling, verbetering, behoud, bescherming en gebruik van IVA.

Indien er geen schriftelijke afspraken bestaan die een groepslid als juridisch eigenaar van de IVA aanduiden, zal voor ‘transfer pricing’-doeleinden dat groepslid als ‘eigenaar’ aangeduid worden dat de belangrijkste beslissingen neemt en dat het gebruiksrecht van andere groepsleden kan inperken.

Waardering

Wat betreft de waardering van een IVA merkt de circulaire op dat er ook gebruik kan worden gemaakt van andere methodes dan de klassieke ‘discounted cash flow’-methode (DCF). De circulaire erkent dat een IVA vaak initieel gewaardeerd is voor andere doeleinden dan voor transfer pricing. De onderliggende rationale die heeft geleid tot de selectie van een specifieke waarderingsmethode, moet in elk geval zorgvuldig gedefinieerd worden in de (fiscale) ‘transfer pricing’-documentatie.

Ex post benadering?

In de omzendbrief wordt eveneens stilgestaan bij IVA die moeilijk te waarderen zijn. Immers, een overdracht van zulke IVA zal meer gedetailleerde ‘transfer pricing’-documentatie vergen waaruit moet blijken dat met alle relevante factoren rekening is gehouden. Moeilijk te waarderen IVA zijn IVA waarvoor geen betrouwbare vergelijkingspunten bestaan en waarvan de voorspelde financiële kasstromen of de assumpties waarop de waardering berust, hoogst onzeker waren op het moment van de transactie waardoor het zeer moeilijk is om het uiteindelijke succes van het IVA in te schatten op het moment van de transactie.

Daarom kan de fiscus de ex post resultaten van het gebruik van IVA aanwenden als een bewijs door feitelijke vermoedens om na te gaan of de ex ante prijsafspraken correct toegepast werden door de belastingplichtige ten tijde van de transactie. Wanneer de fiscus echter vaststelt dat alle ex ante aannamen correct werden ingeschat, zal geen prijsaanpassing gebeuren enkel en alleen omdat de ex post resultaten verschillen van de ex ante prijsafspraken.

Cost contribution agreements (CCA)

Een CCA is een contractuele overeenkomst waarin partijen afspreken om gezamenlijk IVA of MVA te ontwikkelen, te produceren of te verwerven, of om dienstverlening te ontwikkelen ten voordele van alle deelnemers. De bijdragen en kosten, alsook de bijhorende risico’s, worden dan gedeeld door de deelnemende partijen. De bijdragen moeten dan wel in overeenstemming zijn met de relatieve verwachte voordelen, i.e. verwachte inkomsten of uitgespaarde kosten. In de praktijk worden de relatieve aandelen van de deelnemers in de totale verwachte opbrengsten vaak bepaald d.m.v. een verdeelsleutel waaronder omzet, gebruikte, geproduceerde of verkochte eenheden, brutowinst, aantal personeelsleden, enz.

Wanneer een nieuw lid toetreedt tot de CCA, zal deze een ‘buy-in payment’ verschuldigd zijn, terwijl een vertrekkend lid recht heeft op een ‘buy-out payment’, telkens ter compensatie van de gezamenlijke CCA-inspanningen tot die datum.

Bij een ontwikkelings-CCA zal iedere deelnemer ook rechten kunnen laten gelden op de tot stand gebrachte activa. Ofwel ontstaat een onverdeelde juridische eigendom, ofwel heeft slechts één deelnemer de juridische eigendom en wordt een gebruiksrecht verstrekt aan de andere deelnemers. Omdat de ontwikkeling door alle partijen samen gebeurde, is dan vaak geen royalty voor dat gebruiksrecht verschuldigd.

Een diensten-CCA wordt opgezet om samen diensten te verstrekken. De CCA-voordelen zijn dus gekend bij aanvang van het contract.

Financiële transacties

De Administratie is van oordeel dat de ‘credit rating’ van een groepslid in beginsel niet hoger kan zijn dan de ‘credit rating’ van de groep als dusdanig. Dit is uiteraard van belang om de marktconformiteit van een intra-groep interesttarief te beoordelen. De circulaire aanvaardt ook het gebruik van publieke ‘credit rating’-tools daar waar de OESO hier iets meer terughoudend is. Bovendien moet een groepslid geen vergoeding betalen indien het een betere rating heeft, enkel en alleen wegens het deel uitmaken van de groep. Dit is het ‘impliciete steun’-principe.

De circulaire wijst er ook op dat, wat financiële transacties betreft, er op de markt heel wat vergelijkingspunten te vinden zijn. Daarom moet bij groepsfinanciering zeker de ‘comparable uncontrolled price’-methode (CUP) in overweging genomen worden. Dit betekent dat naar vergelijkbare transacties tussen derden gezocht moet worden op basis van vergelijkingselementen zoals o.m. de rating van de ontlenende onderneming, het bedrag, de looptijd, de munt, enz.

Wanneer de onderneming bij een lening echter enkel een rol speelt als doorgeefluik zonder verdere inhoudelijke functionaliteit, dan neemt die onderneming geen enkel risico. Bijgevolg zal zij dan in het beste geval enkel recht hebben op een vergoeding voor haar zeer beperkte administratieve dienstverlening ter zake. Die vergoeding wordt dan idealiter als een ‘cost-plus’-fee bepaald.

Garanties

Indien er binnen de groep garanties m.b.t. financiële transacties verstrekt worden, breekt de circulaire een lans voor het gebruik van de ‘yield approach’ om de garantievergoeding te definiëren. Er wordt dan een vergelijking gemaakt tussen de rente die de onderneming zou betalen met en zonder garantie. Er wordt hierbij wel rekening gehouden met de voornoemde ‘impliciete garantie’ die geen vergoeding vergt.

Cashpooling

In het geval van cashpooling-transacties pleit de circulaire voor een accurate afbakening en een zorgvuldige kwalificatie van de diverse saldi op de cashpooling-rekeningen. Op dit punt zal een maximale duurtijd van 12 maanden voor een financiering bepalen of een ‘cashpooling-saldo’ een ‘lening’ wordt. Ook veronderstelt de Administratie redelijkerwijze dat in het geval van cashpooling alle deelnemers binnen de groep voor elkaar garant staan. Daarom worden zij allemaal geacht dezelfde ‘credit rating’ te hebben.

Eén groepslid zal de taak van cashpool-leader op zich nemen. De vergoeding hiervoor wordt het best op een ‘cost-plus’-basis bepaald. Anderzijds hebben alle groepsleden recht op een fair deel van de positieve synergie-effecten zoals de cashpooling. De fiscus stelt voor dit te realiseren door aan de diverse groepsleden een betere rentevoet aan te bieden dan wat ze op ‘stand alone’-basis bij de bank zouden kunnen negotiëren.

Kurt De Haen

PKF-VMB Accountants & Tax Consultants

  • Als immateriële vaste activa moeilijk te waarderen zijn, dan kan de fiscus de ex post resultaten uit het gebruik van de activa aanwenden om na te gaan of er ex ante correcte prijsafspraken gemaakt werden. Als die ex ante afspraken correct onderbouwd werden, dan kan de fiscus afwijkende ex post resultaten echter niet zonder meer gebruiken om een prijsaanpassing door te voeren.
  • Er is geen vergoeding verschuldigd louter omdat een groepsvennootschap een betere ‘credit rating’ geniet, omdat zij deel uitmaakt van de groep. Als er binnen de groep garanties verleend worden, dan moeten die in principe vergoed worden op basis van het verschil in rente die de groepsvennootschap zou betalen met of zonder garantie.
  • Als de rol van een groepsvennootschap beperkt is tot het optreden als doorgeefluik voor een lening, dan heeft zij enkel recht op een vergoeding voor haar administratieve dienstverlening.

Contactgegevens

Indicator - Larcier | Tiensesteenweg 306 | 3000 Leuven

Tel.: 0800 39 067 | Fax: 0800 39 068

klantenservice@indicator-larcier.be | www.indicator-larcier.be

 

Maatschappelijke zetel

Lefebvre Sarrut Belgium NV | Hoogstraat 139 - Bus 6 | 1000 Brussel

RPM Bruxelles | TVA BE 0436.181.878