VENNOOTSCHAP - MANAGEMENTVENNOOTSCHAP - 14.02.2020

Kan de fiscus via het attractiebeginsel een vennootschap negeren?

Volgens het attractiebeginsel worden alle vergoedingen die een vennootschap toekent aan haar bedrijfsleider beschouwd als bedrijfsleidersbezoldigingen. Wat echter als er zowel betalingen gedaan worden aan een natuurlijk persoon als aan zijn ‘managementvennootschap’? De fiscus herkwalificeert die maar al te graag als bedrijfsleidersloon. Wat besliste Cassatie hierover op 02.01.2020?

Attractiebeginsel

Alle inkomsten zijn bedrijfsleidersbezoldigingen...

Het zgn. attractiebeginsel stelt dat alles wat een bedrijfsleider van zijn vennootschap ontvangt (met uitzondering van dividenden en terugbetalingen van eigen kosten aan de vennootschap), geacht wordt een ‘bezoldiging van bedrijfsleiders’ te zijn (art. 32, lid 1 WIB 92) .

... maar nuance voor ‘werknemers’

Het toenmalige Arbitragehof (nu Grondwettelijk Hof) heeft aan dit beginsel echter een belangrijke nuance toegevoegd. Het ‘attractiebeginsel’ werkt immers niet ten aanzien van natuurlijke personen die als werknemer actief zijn en daarnaast ‘onbezoldigd’ een bestuursmandaat uitoefenen.

De bezoldigingen die ze in hun hoedanigheid van werknemer ontvangen, blijven immers ‘werknemersbezoldigingen’. Deze inkomsten worden dus niet geherkwalificeerd in ‘bedrijfsleidersbezoldigingen’, echter wel op voorwaarde dat zij uit diezelfde vennootschap geen tot bezoldiging te herkwalificeren huurinkomsten ontvangen.

Pro memorie: huurinkomsten voor de verhuur van een gebouwd onroerend goed worden geherkwalificeerd als een bedrijfsleidersbezoldiging, in de mate dat deze inkomsten meer bedragen dan 5/3 van het gerevaloriseerd kadastraal inkomen.

Omwille van deze nuance is het voor zulke werknemers/bestuurders bijvoorbeeld ook mogelijk om te opteren voor het mobiliteitsbudget, waar dit voor ‘gewone’ bezoldigde bestuurders niet mogelijk is. De optie voor het mobiliteitsbudget staat immers enkel open voor werknemers.

... ‘werknemersopdracht’ staat wel los van bestuursmandaat

Let wel, het moet in deze situaties gaan om een functie als werknemer die losstaat van het mandaat als bestuurder. Sinds de invoering van het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is het immers onmogelijk om het mandaat van bestuurder onder een arbeidscontract (en dus als werknemer) uit te voeren. Het arbeidscontract moet dus op een totaal andere functie betrekking hebben dan de uitoefening van het bestuursmandaat.

Antwerpen, 14.11.2017

Managementvennootschap wordt genegeerd

Het hof van beroep van Antwerpen deed in 2017 een opmerkelijke uitspraak in volgende casus:

D. is een bekend modeontwerpster en heeft bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE) in 1989 op haar eigen naam een merknaam ingeschreven. In 2004 verleent ze aan de BVBA X, waar zij tevens zaakvoerster van was, een licentie om die merknaam wereldwijd te gebruiken. De ontvangen royalty’s geeft D. aan als roerende inkomsten.

De ontwerpster neemt op een bepaald moment ontslag als zaakvoerster en sluit via haar managementvennootschap BVBA Y een dienstverleningscontract met de BVBA X. In dit contract wordt duidelijk bepaald dat het de modeontwerpster zal zijn die de opdrachten zal uitvoeren.

De BVBA X doet dus enerzijds betalingen aan de modeontwerpster zelf als licentievergoedingen voor het merk en anderzijds betalingen aan de BVBA Y in uitvoering van het managementcontract.

Standpunt Administratie

Aangezien de merknaam onlosmakelijk verbonden is met het beroep van D., mode ontwerpen, moeten de royalty’s als beroepsinkomsten belast worden, meer bepaald als bedrijfsleidersbezoldigingen. D. was weliswaar geen zaakvoerster meer van de BVBA X, maar ze had er nog als zelfstandige een leidinggevende functie van commerciële en technische aard. Ze was dus een zgn. bedrijfsleider van de tweede categorie.

Standpunt rechter

Het hof van beroep volgt de fiscus in zijn redenering dat de modeontwerpster “via de BVBA Y in de BVBA X een leidinggevende functie heeft van commerciële en technische aard, buiten een arbeidsovereenkomst”. Ze ontvangt hiervoor, aldus onrechtstreeks, via de BVBA Y een vergoeding die als bedrijfsleidersbezoldiging aanzien moet worden. Het hof bevestigt de fiscus voorts in zijn argumentatie dat dus ook de licentievergoeding als bedrijfsleidersbezoldiging geherkwalificeerd moet worden, op grond van het attractiebeginsel.

Hof van Cassatie, 02.01.2020

Managementvennootschap kan enkel ‘genegeerd’ worden in geval van simulatie

Het Hof van Cassatie is het niet eens met het hof van beroep. De inkomstenbelastingen moeten immers “in beginsel, en onder voorbehoud van de antimisbruikbepalingen, worden geheven op grond van de door de belastingplichtige werkelijk gehanteerde juridische constructie”. In de casus is het duidelijk dat niet de natuurlijke persoon, maar wel de BVBA Y mogelijk aanzien kan worden als de juridische persoon die “een leidinggevende functie” zou hebben. Volgens het Hof van Cassatie kan dan ook slechts abstractie gemaakt worden van deze vennootschap “wanneer wordt vastgesteld dat er sprake is van simulatie”. Slechts dan zou er geoordeeld kunnen worden dat de natuurlijke persoon beschouwd moet worden als een bezoldigd bedrijfsleider van BVBA X.

Door echter op geen enkel moment vast te stellen dat er sprake is van simulatie, heeft het Antwerpse hof van beroep de rechtspersoonlijkheid van de BVBA Y en het bestaan van de dienstverleningsovereenkomst tussen de beide BVBA’s onterecht miskend volgens Cassatie. Het is dus duidelijk dat het attractiebeginsel geen ongebreideld instrument is dat de fiscus kan hanteren om zomaar vennootschapsvormen en managementcontracten tussen vennootschappen te negeren.

Kan de fiscus uw vennootschap negeren?

De fiscus kan de juridische realiteit maar aan de kant schuiven als hij ofwel simulatie ofwel fiscaal misbruik aantoont.

Simulatie? Beroept de fiscus zich op simulatie, dan moet hij kortweg aantonen dat u niet alle gevolgen van uw keuze aanvaardt. In dit geval had de fiscus moeten aantonen dat mevrouw D. zelf handelde alsof ze geen vennootschap had, bv. door in eigen naam documenten te tekenen die ze in naam van haar vennootschap had moeten tekenen, of door inkomsten voor de vennootschap rechtstreeks naar haar eigen rekening te laten overschrijven.

Fiscaal misbruik? Beroept de fiscus zich op fiscaal misbruik, dan moet hij aantonen dat u met uw keuze voor een bepaalde rechtshandeling een belastingontwijking of fiscaal voordeel nastreefde in strijd met de bedoelingen van de wetgever. Dat is niet zo eenvoudig. Bovendien kunt u de taxatie nog afweren als u ten minste één (weliswaar valabel) niet-fiscaal motief kunt aanhalen voor uw keuze. Voor de oprichting van een managementvennootschap heeft u normaal gezien meerdere van zulke motieven. De kans op succes voor de fiscus is dus ook langs deze weg klein.

Het attractiebeginsel kan niet gehanteerd worden door de fiscus om “door een vennootschapsstructuur heen te kijken”. Slechts als er duidelijk misbruik gepleegd wordt of simulatie aangetoond kan worden, kan de fiscus een vennootschap ‘negeren’ en de manager achter deze vennootschap zelf belasten.

Contactgegevens

Indicator - Larcier | Tiensesteenweg 306 | 3000 Leuven

Tel.: 0800 39 067 | Fax: 0800 39 068

klantenservice@indicator-larcier.be | www.indicator-larcier.be

 

Maatschappelijke zetel

Lefebvre Sarrut Belgium nv | Hoogstraat 139 - Bus 6 | 1000 Brussel

RPR Brussel | Btw BE 0436.181.878