LOONKOSTEN - 29.09.2022

Mobiliteitsbudget anno 2022: flexibeler?

Het mobiliteitsbudget werd reeds ingevoerd in 2018, maar kende sindsdien vrij weinig succes. Daarom heeft de regering eind 2021 een aantal aanpassingen aan de regeling voorgesteld. Ondertussen zijn de wijzigingen (wet 25.11.2021 houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit, BS 03.12.2021) in voege en is de toepassing van het mobiliteitsbudget flexibeler en gemakkelijker.

Waarom een mobiliteitsbudget?

Gelet op het feit dat thuiswerk sinds de COVID-19-pandemie veel meer ingeburgerd is, hebben werknemers soms minder nood aan een bedrijfswagen en willen ze misschien zelf ook hun steentje bijdragen aan vergroening. Het bedrijf kan daarop inspelen door u en uw collega’s de mogelijkheid te bieden zelf keuzes te maken inzake mobiliteit. Bovendien hebben bedrijven er zelf baat bij om af te stappen van een vervuilende bedrijfswagenvloot en over te stappen naar een meer duurzaam mobiliteitsbeleid.

Praktisch

De invoering van een mobiliteitsbudget is niet verplicht. Als u een mobiliteitsbudget invoert, moet u dat doen op dezelfde wijze als u het recht op een bedrijfswagen en de regels omtrent de bedrijfswagen ingevoerd heeft. Mogelijk beschikt u over een car policy en wordt er in de arbeidsovereenkomst een recht op een bedrijfswagen voorzien. In dat geval kunt u door een wijziging van die car policy naar een mobility policy de mogelijkheid tot de toepassing van het mobiliteitsbudget invoeren. U moet dan geen wijziging doorvoeren aan de arbeidsovereenkomst, aangezien het recht op een bedrijfswagen blijft bestaan, maar enkel de manier waarop de werknemer dat recht uitoefent, door de werknemer zelf gekozen kan worden op basis van de aangepaste mobility policy.

Sommige ondernemingen hebben de regels omtrent de bedrijfswagen opgenomen in hun arbeidsreglement. In dat geval zal er wel een wijziging van het arbeidsreglement volgens de normale procedure moeten gebeuren.

Zodra u de mogelijkheid tot het mobiliteitsbudget voorzien heeft, kan een werknemer een schriftelijke aanvraag indienen (via brief of via e-mail). De werkgever heeft dan nog de mogelijkheid om al dan niet op de aanvraag in te gaan. Een weigering moet schriftelijk meegedeeld worden aan de werknemer en moet ook gebaseerd zijn op geoorloofde criteria.

Indien de werkgever ingaat op de aanvraag, moet u de manier waarop het mobiliteitsbudget voor de werknemer berekend wordt en het bedrag ervan meedelen. De werknemer kan dan nog steeds zijn aanvraag intrekken. Doet hij dat niet, dan wordt er een bijlage bij de arbeidsovereenkomst opgesteld die de toepassing van het wettelijke mobiliteitsbudget en het initiële bedrag van het budget vermeldt en bovendien ook bepaalt dat die werknemer naast het mobiliteitsbudget niet meer de normale sociale en fiscale vrijstellingen in het kader van het woon-werkverkeer kan genieten. De enige uitzondering daarop is dat indien een werknemer reeds minstens drie maanden onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag van het mobiliteitsbudget de bedrijfswagen cumuleerde met een vrijgestelde verplaatsingsvergoeding of -voordeel, dat wel zal mogen blijven cumuleren met behoud van de specifieke sociale en fiscale behandeling.

Bedrag

Om het bedrag van het mobiliteitsbudget vast te stellen, moet u rekening houden met de TCO (total cost of ownership) van de klassieke bedrijfswagen die de werknemer op basis van zijn functie mag kiezen. Daarin zit ook de kost van tanken vervat. Het mobiliteitsbudget is wel altijd beperkt tot maximaal 1/5 van het brutojaarloon van de werknemer en hoe dan ook tot € 16.000 per jaar. De maandelijkse bijdrage die de werknemer eventueel voor zijn bedrijfswagen betaalt, moet u aftrekken van het jaarbedrag van de TCO. Forfaitaire vergoedingen voor garage, carwash en/of parkeren betaald aan werknemers met een bedrijfswagen, mogen toegevoegd worden aan de jaarlijkse TCO om tot het bedrag van het mobiliteitsbudget te komen.

Zodra het jaarlijkse budget bepaald is, moet u een mobiliteitsrekening bijhouden voor de werknemer die ook virtueel ter beschikking gesteld moet worden aan de betrokken werknemer. Daarin moet het startbedrag, de verschillende bestedingen en het beschikbare saldo opgenomen worden.

Drie pijlers

In de eerste pijler kan de werknemer kiezen voor een milieuvriendelijke bedrijfswagen met (vanaf 2021 tot en met 2025) een maximale CO2 -uitstoot van 95 g/km.

Omdat dergelijke milieuvriendelijke wagens vaak duurder zijn, blijft er na die keuze in pijler 1 vaak geen budget meer over voor pijler 2 en 3. Indien er budget overblijft, kan het saldo gebruikt worden voor aankoop, huur, leasing, onderhoud en verplichte uitrusting voor zachte mobiliteit (vervoermiddelen, al dan niet elektrisch, met een maximale snelheid van 45 km/u, elektrische motorfietsen), openbaar vervoer, gemeenschappelijk georganiseerd vervoer, deeloplossingen, bedrijfsfietsen en fietsvergoeding en ook huisvestingskosten (huurgeld of de interesten van een hypothecaire lening voor de werknemer die binnen een straal van 5 km in vogelvlucht van de normale plaats van tewerkstelling woont).

Indien er na de keuze in pijler 1 en 2 nog een saldo is, zal dat op het einde van het kalenderjaar uitgekeerd worden na afhouding van een bijzondere werknemersbijdrage van 38,07% én maal per jaar op de bankrekening van de werknemer gestort worden.

Nieuwigheden sinds 2022

In eerste instantie is het niet meer nodig dat een werknemer eerst drie maanden ononderbroken een bedrijfswagen ter beschikking heeft en gedurende de 36 maanden die de aanvraag voorafgingen minstens 12 maanden over een bedrijfswagen kon beschikken bij zijn huidige werkgever alvorens te kunnen instappen in het mobiliteitsbudget. Gevolg van die wijziging is dat er geen onderscheid meer gemaakt moet worden tussen nieuwe werknemers, pas gepromoveerde werknemers en werknemers die al lang in dienst waren of al lang over een bedrijfswagen beschikten. Wel moet de werknemer uiteraard tot een personeelscategorie of functie behoren die in aanmerking komt voor een bedrijfswagen. Bovendien blijft ook nog de regel bestaan dat de werkgever al minstens gedurende een ononderbroken periode van 36 maanden die voorafgaat aan de invoering van het mobiliteitsbudget, aan een of meer werknemers een bedrijfswagen ter beschikking gesteld moet hebben. De enige uitzondering daarop zijn de startende werkgevers.

Het mobiliteitsbudget bestaat ook nog steeds uit drie pijlers. De duurzame mobiliteit wordt echter meer onderstreept en verplicht. Tot 2021 kon de werkgever immers zelf bepalen welke pijler hij aanbood en kon hij zich eventueel ook beperken tot de eerste en de derde pijler. Sinds 2022 bent u voor de toepassing van het wettelijke mobiliteitsbudget verplicht om minstens één aanbod te doen in de tweede pijler, die zachte mobiliteitsoplossingen inhoudt.

Bovendien mogen de wagens die in pijler 1 aangeboden worden slechts een maximale CO2 -uitstoot van 95 g/km hebben. Vanaf 2026 kunnen er in de eerste pijler zelfs enkel nog volledig elektrische wagens aangeboden worden. Bovendien zal vanaf 2026 de verplichting om een voertuig zonder CO2 -uitstoot aan te bieden ook van toepassing zijn voor alle gemotoriseerde voertuigen die behoren tot de zachte mobiliteit (pijler 2).

De mogelijkheden binnen pijler 2 zijn ook verbreed sinds 2022. Zoals hierboven reeds aangehaald, zal het niet meer mogelijk zijn om geen enkele keuze in die tweede pijler aan te bieden, maar de ondernemingen zijn uiteraard niet verplicht om een groot arsenaal aan mogelijkheden in die pijler aan te bieden en mogen zich beperken tot een aanbod dat op administratief vlak beheersbaar is.

Last but not least werd het mobiliteitsbudget sinds 2022 ook begrensd, om misbruiken tegen te gaan. Het budget moet minimaal € 3.000 bedragen, maar mag maximaal 1/5 van het brutojaarloon van de betrokken werknemer inhouden en mag in ieder geval niet boven de € 16.000 per werknemer per jaar bedragen. Voor die werkgevers die reeds vóór 3 december 2021 (de publicatiedatum van de nieuwe wettekst) een mobiliteitsbudget met hogere bedragen ingevoerd hadden, is er een overgangsperiode voorzien. Ze moeten vanaf 1 januari 2023 aan die nieuwe maximumbedragen voldoen.

  • Sinds 2022 zijn de regels om een mobiliteitsbudget toe te kennen minder complex. Het is niet langer vereist dat de werknemer eerst drie maanden ononderbroken een bedrijfswagen ter beschikking heeft en gedurende de 36 maanden vóór de aanvraag gedurende minstens 12 maanden over een bedrijfswagen kon beschikken. De werknemer moet wel nog steeds op basis van zijn functie of personeelscategorie recht hebben op een bedrijfswagen.
  • Voor werknemers die verknocht blijven aan een bedrijfswagen is de toepassing van het mobiliteitsbudget niet evident, aangezien de bedrijfswagen maximaal 95 gram CO2 per kilometer mag uitstoten. Omdat dergelijke wagens ook duurder zijn, blijft er vaak weinig ruimte over binnen pijler 2 (duurzame vervoermiddelen en huisvesting) en pijler 3 (uitkering van het saldo).

Contactgegevens

Indicator - Larcier | Tiensesteenweg 306 | 3000 Leuven

Tel.: 0800 39 067 | Fax: 0800 39 068

Customer.Services@indicator-larcier.be | www.indicator-larcier.be

 

Maatschappelijke zetel

Lefebvre Sarrut Belgium NV | Hoogstraat 139 - Bus 6 | 1000 Brussel

RPM Bruxelles | TVA BE 0436.181.878